
Springen
Springen
Bij atletiek horen ook verschillende springonderdelen. Bij het verspringen proberen sporters met een flinke aanloop zo ver mogelijk te springen, waarbij het goed timen van de afzet heel belangrijk is. Bij het hink-stap-springen wordt het nog wat ingewikkelder: de atleet maakt eerst een hink, daarna een stap en pas dan een sprong, en toch moet alles in één vloeiende beweging gebeuren. Er zijn ook sprongen waarbij hoogte centraal staat. Bij het hoogspringen loopt de sporter schuin aan, zet krachtig af en probeert over een lat te springen zonder die te raken. Nog spectaculairder is het polsstokhoogspringen. Daarbij gebruikt de atleet een lange stok om zichzelf hoog de lucht in te duwen en zo over de lat te komen.
Wat al deze onderdelen bijzonder maakt, is dat ze kracht, techniek en durf combineren. Een sprong is voorbij in een paar seconden, maar daar gaat maandenlang training aan vooraf.

Bij de springonderdelen wordt vaak een apart deel van het veld gebruikt. Voor het verspringen en hink-stap-springen is er een lange aanloopbaan die eindigt bij een afzetbalk en een zandbak waarin de sporters landen. Het zand wordt steeds netjes geharkt zodat iedereen veilig kan springen en de afstand goed gemeten kan worden. Voor het hoogspringen en polsstokhoogspringen is er een aanloopbaan die uitkomt bij een lat die op steunen ligt. Daarachter ligt een dikke mat waar de atleten veilig op terechtkomen.
De kleding van springers lijkt veel op die van lopers: licht en strak, vaak een singlet en een korte of strakke broek. Ook zij dragen spikes, maar die hebben soms een iets andere vorm van de pinnetjes, zodat ze extra grip hebben bij het afzetten.
